Omoide-zukuri: de rol van herinneringen en nostalgie

Omoide-zukuri: de rol van herinneringen en nostalgie

Screenshot van een advertentie van Google: “jouw herinneringen op de hoofdpagina”

Iedereen denkt wel eens terug aan vervlogen tijden. Ik ben nog niet lang genoeg onderdeel van de maatschappij om mijzelf ervan te overtuigen dat elke dag van mijn studietijd een waas van nectar en ambrozijn was, maar ook ik val af en toe ten prooi aan een zoete, nostalgische dagdroom. In deze Ikiji wil ik het hebben over de positie van omoide-zukuri (思い出づくり, letterlijk: het maken van herinneringen) in het Japanse studentenleven, gebaseerd op mijn eigen ervaringen als lid van een universiteitsclub.

Toen ik in Japan studeerde, viel het mij op dat men niet alleen terugdacht aan herinneringen, maar zich soms ook actief voorbereidde op het maken ervan. Tijdens mijn master schreef ik mijn scriptie over Japanse universiteitsclubs. Deze clubs worden onderhouden door studenten en elk biedt een bepaalde activiteit aan: van voetbal tot Japans schaken, van de theeceremonie tot rockmuziek. Het viel mij op dat men vanaf dag één bezig was met het belang van herinneringen. Maar waarom?

Op zoek naar een antwoord werpen we eerst een blik op het Japanse schoolsysteem. Het pad dat kinderen bewandelen vanaf het moment dat zij de basisschool binnenstappen, staat voor de daaropvolgende negentien jaar in grote lijnen vast. Vroeger stortte men zich na de middelbare school nog wel eens direct in het werkende leven, maar tegenwoordig is het volgen van hoger onderwijs de norm, met een doorstroom van meer dan 70% van alle middelbare scholieren.[1] In Japan is het hoger onderwijs onderverdeeld in senmongakkō “vakscholen”, vergelijkbaar met het Nederlandse mbo, en universiteiten. In Japan is het begrip “universiteit” vrij rekbaar en is er sprake van een zeer uiteenlopende rangorde. Topinstituten uit de grote steden staan in schril contrast met kleine, lokale schooltjes. In een maatschappij waar meer dan 50% zich universitair geschoold mag noemen,[2] worden middelbare scholieren onderworpen aan zeer omvangrijke toelatingsexamens, waarmee zij hopen op toelating tot een zo prestigieus mogelijke universiteit.

Een gevoel van vrijheid en urgentie

Hoger onderwijs is dus de norm. Ongeacht welke veredelde leerfabriek de student daadwerkelijk instapt; het leven neemt op de universiteit een heel andere vorm aan. Hoewel het Hollandsche studentenleven met al haar bierorgies, regelneven en ontluikende depressies zeker niet vergeten mag worden, is het contrast met de middelbare school in Japan groter. In tegenstelling tot de middelbare school met haar uniforms, strakke schema’s en intense bloksessies voor toelatingsexamens is de universiteit een veilige, vrije haven voordat de woeste zee die het werkende leven heet bevaren moet worden. Zeker als een scholier wordt toegelaten tot een universiteit met landelijk aanzien, zit hij of zij de komende paar jaar geramd.

Tijdens zijn studietijd is de student in grote mate vrij om zijn tijd zelf in te delen. Velen focussen zich naast de studie op clubactiviteiten en/of een bijbaan. Zo ervaart de jongvolwassen Japanner vaak voor het eerst een lange periode van vrijheid om zichzelf te ontwikkelen op de manier die hij zelf voor ogen heeft.

Deze periode is duidelijk afgebakend door enerzijds de middelbare school en anderzijds het werkende leven, wat een gevoel van urgentie met zich meebrengt. In Japan is nominaal afstuderen de norm en het is de verwachting dat de student direct na het afstuderen aan de bak gaat bij een bedrijf dat graag elk jaar een nieuwe lading werknemers van gelijke leeftijd opslurpt.[3] Dit is voordelig voor de firma, onder andere omdat dit het eenvoudiger maakt om de senioriteit op de werkvloer duidelijk af te bakenen. Langstuderen kan de banenjacht dus in negatieve zin beïnvloeden, en geldt in de regel als taboe. Zelf merkte ik dat er hierdoor onder studenten een zeker gevoel van urgentie bestaat om van het korte studentenleven iets bijzonders te maken.

Het duidelijkste voorbeeld hiervan maakten Milan en ik mee op onze eerste dag als lid van een muziekclub in Kioto. Het was lente en het academisch jaar stond op het punt te beginnen. Dit werd gevierd met een stevige borrel in een afgehuurde zaal van een izakaya (een restaurantvorm waar de nadruk ligt op kleine hapjes en grote drankjes). De club was vrij hiërarchisch van opzet: de jongere clubleden dienden zich ondergeschikt te maken aan de ouderejaars. Bij deze club stoppen de leden na hun derde studiejaar grotendeels met hun clubactiviteiten om zich in hun laatste jaar te kunnen richten op de transformatie van wildebras met geverfd haar naar verantwoordelijke volwassene in pak.

Vroeger, twee jaar geleden

Op deze bewuste avond zien de derdejaars elkaar voor het eerst in hun gedaante als koning van de voedselketen. Telkens als één van hen de zaal betreedt, klinkt luidkeels de groet otsukare! (een immer inzetbare term die zoveel betekent als “goed werk” of “dank voor de arbeid”). Heen en weer deinend herhalen de aanwezige derdejaars de kreet net zo lang totdat de eerste pul bier naar binnen glijdt. Dit is het begin van hun jaar. Gedurende dit jaar zijn er optredens, feesten en reizen waarbij de derdejaars in het zonnetje worden gezet. Termen als omoide en natsukashii (nostalgisch; heimwee naar vroeger) zijn niet van de lucht, al gaat het soms over wapenfeiten niet ouder dan zes maanden.

Gedurende dit jaar heb ik een aantal van deze pieken mee mogen maken. Tijdens het grootste universiteitsfestival van het jaar, gehouden rond de feestdagen, is er ruimte voor een dagvullend optreden waarop alle bands van de club zich mogen presenteren. Dit muziekfestijn wordt voorafgegaan door een dag van audities, waarop het al snel duidelijk wordt dat men de democratie hier en daar een handje helpt, daar het uiteraard de bedoeling is dat de senioren op het hoofdpodium terechtkomen. Op de dag zelf vertellen zij live on stage over hoe hun jaren bij de club de mooiste van hun leven waren. In de hieropvolgende maanden zijn er vele feesten, alsmede een kamp in een deels afgehuurd hotel, waarbij men elkaar met gezonde regelmaat weeënd in de armen valt.

Hoewel niet elke club een dermate strenge hiërarchie kent, hebben de ouderejaars vaak de leiding en genieten zij een zeker aanzien. Bij de muziekclub luidde het drankfeestje het begin in van een bijzonder jaar voor de derdejaars. Naarmate het jaar vordert, treedt de bitterzoete werkelijkheid steeds meer op de voorgrond: het einde is in zicht. Het is een verdrietige realisatie dat de studietijd en het werkende leven zo haaks op elkaar staan. Als ik mijn clubvriendjes nu zie, spreken zij over die goede oude tijd van twee jaar geleden.

Persoonlijk vind ik dat het maken van herinneringen zijn charmes heeft. Het past mooi binnen het concept van mono no aware (“de vergankelijkheid der dingen”) – een idee uit de Heian-periode (794 – 1185) van de toenmalige elite die niets liever deed dan gedichten schrijven over het feit dat alles eindig is, bij voorkeur snikkend in een bootje dat dobbert op een meertje onder een kersenbloesemboom aan het eind van haar kortstondige bloei. Bewust omgaan met deze realisatie en van elk moment iets waardevols proberen te maken lijkt mij een nobel streven. Het is alleen spijtig dat de mogelijkheid hiertoe in Japan veelal beperkt lijkt tot het studentenleven.

Optreden tijdens festival

Een foto (2014) van het hoofdpodium tijdens een muziekfestival van Doshisha University (bron).

Bronnen

[1] Higher Education Bureau, Ministry of Education, Culture, Sports, Science and Technology, “Higher Education in Japan”, p.5, 2012.

[2] ibid.

[3] Genda Yūji. “The Underlying Causes of Job Insecurity.” In A Nagging Sense of Job Insecurity. Tokyo: International House of Japan, Inc, p.10, 2005.

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *